Blij voor een appel en een ei met tweedehands kledij

Begin van het jaar begon ik met de challenge ‘Buy Nothing New for a Year’ (of zoiets). Met de bedoeling regelmatig foto’s van mijn kringloopgelukkies te posten op Instagram. Door tijdgebrek en wat tegenslag op het gebied van gezondheid kwam dat er tot nu toe niet van. Ik was al blij als ik me ’s ochtends gedoucht en wel in een joggingbroek wist te hijsen. Nu ik langzaam maar zeker weer opkrabbel en meer energie krijg, dacht ik weer aan de challenge.

Een echte uitdaging is het niet echt, ik draag al sinds mijn pubertijd voornamelijk tweedehands kleding. ‘Vroegah’ noemde we dat geen retro of vintage, maar gewoon ouwe troep en ik had maling aan het milieu en duurzaamheid. Daar hoorde je nooit iets over. Ik hield gewoon van kleding die niemand anders droeg. Ik ging op mijn eerste dag naar de brugklas in een broek met bretels, een overhemd, een oude regenjas en een geruite pet van mijn opa. Die pet droeg ik trouwens bijna iedere dag, ook omdat ik meestal mijn haar had verkloot met Sprayblond of zelf aan mijn pony had zitten knippen. Mijn bijnaam was dan ook ‘Petje’ en ‘ouwe’ bekenden noemen me nog steeds zo. Ook omdat ik nog steeds bijna dagelijks een hoofddeksel draag. En omdat ik nog steeds regelmatig mijn haar verkloot met thuiskleuringen. Dom geboren en nooit iets bijgeleerd, maar dit terzijde.

Ik kocht mijn kleding per kilo op het Waterlooplein. Nee, dat is niet iets van de laatste tijd. Het is nu alleen véél duurder geworden, want…hip. Na het overlijden van mijn oma stonden de tassen met haar kleding al klaar voor mij, want  ‘ik hield toch van ouderwetse kleding?’.  Jazeker. Bloemetjesjurken, gebreide vestjes en korsetten met jarretelles. Maar ook nog steeds de pantalons, overhemden, giletjes en colberts van opa. Veel te groot, want mijn grootvader was een beer van een vent. Maar dat vind ik juist leuk en het zit ook nog eens super comfortabel.

Ik koop bijna al mijn kleding in tweedehands- en kringloopwinkels. Je wordt er wel een beetje gierig van. Ik kan met verbazing luisteren naar vriendinnen die 80 euro aan een spijkerbroek uitgeven. In geen 80 jaar, al zou ik de staatsloterij winnen. En ik lach als mensen het ‘vies’ noemen. Daar hebben ze de wasmachine voor uitgevonden. En bovendien: nieuwe kleding uit de winkel is misschien wel al drie keer teruggebracht of gepast door een ongewassen iemand met een vieze onderbroek. En hoe vaak heeft een nieuw t-shirt geen vieze make-upvlekken bij de hals?  Just saying.

Naast mijn liefde voor ‘enigheid’ ben ik me tegenwoordig uiteraard wel bewust van verspilling. Ik schrok toen ik las dat er 2700 (!) liter water nodig is voor het produceren van één t-shirt. En dat er jaarlijks door kledingfabrikanten voor miljarden euro’s aan onverkochte kleding wordt verbrand. Say what? Oh, en dat fabrikanten die claimen duurzaam te produceren vaak maar 1% gerecyclede stof gebruiken. Greenwashing heet dat: jezelf groener voordoen dan je bent. De consument slikt het en betaalt grof geld in de veronderstelling goed bezig te zijn. Kortom, de enige echte manier om verspilling tegen te gaan is…..tweedehands.

Op Instagram stuitte ik op het account van Conscious Commerce van Babs en Olivia die tweedehands kleding pimpen en verkopen. Dat is op zich al leuk, maar bovendien doneren zij $1 aan het ‘Circular Fashion Fund’ voor iedere keer dat de hashtag #ChooseUsed gebruikt wordt, ongeacht of je nu wel of niets iets bij ze hebt gekocht. Als dat geen extra reden is om nu eindelijk eens die vintage kledingverzameling die ik heb opgebouwd te showen, dan weet ik het ook niet meer…